Het verhaal van Ostia’s buitenwijken

Geblokkeerde buitenwijken onthuld met Delftse technieken in Leids archeologisch project

vlag-ukOstia was ooit een bloeiende havenstad, verlaten in de achtste eeuw na Chr. en nu een Romeinse archeologische site ongeveer 25 kilometer ten westen van Rome. Leidse en Delftse onderzoekers leggen nu ook de buitenwijken van Ostia bloot en stuitten op geblokkeerde doorgangswegen.  

 

Wanneer je rondwandelt door de smalle straten van Ostia, ooit een bloeiende havenstad en nu een Romeinse archeologische site ongeveer 25 kilometer ten westen van Rome, kun je je gemakkelijk een van de inwoners wanen. Je Romeinse gewaad van zijde of katoen is nonchalant over je schouder gedrapeerd en je draagt leren sandalen. Je bent bijvoorbeeld op weg naar het badhuis, de markt of het theater. Maar als je nu eens niet in het centrum woonde? Hoe zou het leven eruit hebben gezien in de buitenwijken van Ostia? Hoe gemakkelijk was het om van de buitenwijken naar het centrum en de publieke voorzieningen daar te lopen? Waren de buitenwijken van Ostia verbonden met de stadspoorten, met het centrum en de openbare gebouwen? En wat was de invloed van deze verbondenheid op de gemeenschappen die in de buitenwijken woonden? Dr. Hanna Stöger, postdoctoraal onderzoeker bij de Faculteit der Archeologie aan de Universiteit Leiden, heeft bijzondere belangstelling voor de sociale informatie die we kunnen afleiden uit ruimtelijke gegevens en voor de invloed van ruimtelijke factoren op de gemeenschap.

Bezoek aan Ostia

Onderzoekers uit Leiden en Delft zijn per bus naar Ostia gereisd om archeologisch-geofysisch veldwerk uit te voeren en vast te stellen hoe de buitenwijken van Ostia precies verbonden waren met de stad. Dr. Stöger weet dat de buitenwijken van Ostia nog niet volledig zijn opgegraven. Opgravingen kosten zeer veel tijd en richten schade aan op de site. Archeologen raken dan ook steeds meer geïnteresseerd in niet-invasieve methoden, zoals geofysische prospectie. ‘Aan de TU Delft worden voortdurend nieuwe geofysische methodieken ontwikkeld en de archeologie kan van die technologische vooruitgang profiteren,’ zegt Stöger. Daarom is ze een project gestart om de nog niet opgegraven buitenwijken van Ostia in kaart te brengen met behulp van geofysische methoden en andere technische expertise van de TU Delft. Twee onderzoekers van de Leidse Faculteit der Archeologie hebben zich bij haar aangesloten: dr. Till Sonnemann, geofysicus en postdoctoraal onderzoeker, en Mark Locicero, derdejaars promovendus. Samen met dr. Dominique Ngan-Tillard, universitair docent bij de afdeling Geoscience & Engineering van de TU Delft en aangesloten bij het Leiden-Delft-Erasmus Centre for Global Heritage and Development, en nog zes studenten van beide universiteiten, reisden ze af naar Ostia. ‘Het was een voorrecht om met Hanna te werken. Ze weet zo veel van Ostia!’ zegt Ngan-Tillard.

Openbaring voor studenten

Voor de studenten was het een openbaring. Ze hebben veel geleerd over het werken in een multidisciplinair team. Thierry van ’t Westende, masterstudent aan de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen van de TU Delft: ‘Archeologen spreken een andere taal en hebben een andere mentaliteit. Ingenieurs willen altijd keihard bewijs zien. Archeologen interpreteren gegevens op basis van kennis van oude geschriften en voorwerpen. Daar moest ik als ingenieur nogal aan wennen.’ Lars Schaarman, masterstudent aan de Faculteit der Archeologie in Leiden: ‘Het was een eyeopener. Ik wist dat deze technieken bestonden, maar het is nog wat anders om er echt mee te werken. Ik vind dat we vaker op deze manier zouden moeten samenwerken. De samenwerking tussen Leiden en Delft moet doorgaan en misschien zouden mensen van de TU Delft college kunnen komen geven aan de Universiteit Leiden.’

Het veldwerk

De onderzoeksgroep gebruikte drie technieken om de niet-opgegraven wijken in kaart te brengen: twee technieken die bij Archeologie in Leiden worden gebruikt en een van de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen van de TU Delft. Op basis van een combinatie van deze technieken zijn ze erin geslaagd een gedetailleerde kaart met veel ruimtelijke informatie te produceren.

De eerste van de drie technieken was de fotogrammetrie. Sonnemann nam luchtfoto’s met een drone en maakte hiermee een 3D-kaart van het terrein en een reconstructie van het oppervlak van de site.  

Student met Grond Penetrerende Radar. Ngan-Tillard: ‘Het is zwaar werk om de GPR te verslepen.’

De tweede techniek was Grond Penetrerende Radar (GPR). GPR is een van de instrumenten die bij de TU Delft worden gebruikt om de ondergrond in beeld te brengen. Radiofrequente elektromagnetische signalen worden de grond in gestuurd, waarna een reflectiepatroon zichtbaar wordt. Samen met begeleiders Sonnemann en Ngan-Tillard hebben de studenten een beeld opgebouwd van de ondergrond. Door verschillen in diëlektrische permittiviteit, elektrische geleidbaarheid en magnetische permeabiliteit reageert het instrument telkens anders op verschillende materialen. 

Ngan-Tillard: ‘De studenten moesten hard werken om het apparaat over het land te slepen. Maar we hebben sterke reflecties gezien. Het kon dan om de vloer van een huis gaan, of een muur. Soms leek het alsof we te maken hadden met een lang kanaal of een watergang.’

De derde techniek was het differentiële Global Positioning System (D-GPS). Deze methode wordt algemeen gebruikt in de archeologie om de onderzoeksmarkers van de GPR nauwkeurig vast te leggen, samen met elementen als hekken, muren en bomen. Met deze gegevens hebben de studenten de geografische componenten van het GPR-onderzoek digitaal in kaart gebracht.

Geblokkeerde straten

‘Het is nog te vroeg om conclusies trekken, maar er zijn wel interessante voorlopige resultaten. We hebben een aantal geblokkeerde straten gezien, en grotere bouwwerken midden in passages. Dat was een verrassing voor mij, het was heel onverwacht. Ik zou hebben gedacht dat de ruimte van de straten, de publieke ruimte, zou zijn gerespecteerd, ook over een lange periode,’ aldus Stöger. Het lijkt erop dat de wijken van Ostia minder sterk verbonden waren met het stadscentrum dan archeologen dachten. Als je over deze passage liep, zou de weg naar de markt, het badhuis of het theater waarschijnlijk geblokkeerd zijn. ‘Waarom zouden ze de toegang blokkeren? Waarom zouden ze het gebruik van het stratennetwerk bemoeilijken? Wat zou dat kunnen betekenen?’

Afbeelding 2: Onderzoeksresultaten GPR (diepte ~70-100 cm), als laag over UAS-orthofoto’s heen; rood gemarkeerd zijn de tot dusver geïdentificeerde bouwwerken.


En wat nu?

Voor het antwoord op deze interessante vraag is meer onderzoek nodig. Seismische opsporing, een andere geofysische techniek, kan worden gebruikt.  Een combinatie van seismische interferometrie (SI) en seismische beeldvorming door reflectie met hoge resolutie komt hiervoor in aanmerking. Ngan-Tillard: ‘Deze combinatie van seismische technieken is vooral geschikt wanneer zich dicht onder de oppervlakte veel massieve archeologische resten bevinden. De seismische golven die door een actieve bron worden gegenereerd, worden gereflecteerd en/of verstrooid op de massieve resten, en geregistreerd door ontvangers die op de oppervlakte zijn geplaatst. Nadat deze opnamen op een slimme manier zijn verwerkt, kunnen de resten beter in beeld worden gebracht.’

Verdere samenwerking tussen de Universiteit Leiden en de TU Delft lijkt een bijzonder veelbelovende optie, gezien de expertise van de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen op het gebied van seismische interferometrie (SI). Dr. Ngan-Tillard licht toe: ‘SI is in de afgelopen vijftien jaar ontwikkeld en is nooit eerder toegepast in de archeologie. We willen deze techniek ook binnen de archeologie introduceren.’ En er is nog een andere geofysische techniek die kan worden gebruikt: elektrische weerstandstomografie (ERT) in combinatie met geïnduceerde polarisatie (IP). ‘Een elektrische stroom wordt in de ondergrond gestuurd en we meten de resulterende elektrische spanning en de daling daarvan over een bepaalde periode. Met IS, ERT en IP kunnen we veel dieper onder de grond kijken dan met GPR. Martijn Warnaar, de student Technische Aardwetenschappen die heeft meegedaan met het GPR-onderzoek in Ostia, vorig jaar mei, heeft een beurs gekregen van de Stichting Molengraaff Fonds, zodat de eerste tests op de site deze zomer kunnen plaatsvinden.’ Er zijn nog andere technieken die kunnen worden onderzocht, zoals remote sensing, waarbij objecten vanuit de lucht worden gedetecteerd met behulp van speciale sensoren. Dr. Stöger: ‘Ik wil onderzoeken of de bewoners van de buitenwijken van het Romeinse Ostia in ruimtelijke zin bevoorrecht of achtergesteld waren.'

Deel dit artikel!

Leiden-Delft-Erasmus Nieuws Juni 2016
Leiden-Delft-Erasmus Nieuws Juni 2016